|
|




 |
|
sitemap
Bordeauxdog, U bevindt zich op de pagina:
Bordeauxdog Rasstandaard
Publicatiedatum van de momenteel van kracht zijnde originele
standaard
14 april
1995, nummer 116
Land van herkomst
Frankrijk
Taak
Waken, verdedigen en afschrikken
FCI indeling
Groep 2 Pinschers, Schnauzers, Molossers en Zwitserse Sennenhonden
Sectie 2.1 (Dogachtige Molossers) Geen werkproef
Het woord ‘dog’ wordt voor het eerst gebruikt eind veertiende eeuw. In
het midden van de negentiende eeuw waren deze oude doggen eigenlijk
alleen nog befaamd in Aquitaine (het uiterste zuid-westen van Frankrijk,
bij de Atlantische oceaan). Ze werden er gebruikt bij de jacht op grof
wild (wild zwijn), in (vaak gereguleerde) gevechten, voor de bewaking
van woningen en vee, en als slagershond. In 1863 vond in Parijs in de
Planten- en Dierentuin de eerste Franse hondententoonstelling plaats.
Bordeaux Doggen waren er onder hun huidige rasbenaming ingeschreven. Er
waren verschillende typen: van Toulouse, van Parijs, en van Bordeaux,
uit het laatste komt huidige Bordeaux Dog voort. Het ras had veel te
lijden tijdens de twee Wereldoorlogen, zo zelfs dat het na de oorlog van
1939-1945 dreigde uit te sterven. In de zestiger jaren leefde het echter
weer helemaal op. De eerste standaard stamt van 1896, gepubliceerd onder
de titel ‘Caractère des vrais dogues’ (De aard van ware doggen) in ‘Le
Dogue de Bordeaux’ van Pierre Mégnin. De tweede standaard stond in J.
Kunstler’s boek ‘Étude critique du Dogue de Bordeaux’ (Kritische studie
over de Bordeaux Dog) van 1910. De derde standaard, van 1971, is van de
hand van Raymond Triquet, met medewerking van dierenarts Dr Maurice
Luquet. De vierde standaard is een herformulering hiervan op basis van
het FCI-Jerusalem-model, gemaakt in 1993 door Raymond Triquet met
medewerking van voorzitter Philippe Sérouil en het bestuur van de Franse
rasvereniging, de Société des Amateurs de Dogues de Bordeaux.
Algehele indruk
Een typische molosser met een
kort, holrond hoofdtype. De Bordeaux Dog is een zeer krachtige hond, met
een uiterst gespierd lichaam dat ook harmonisch belijnd is. Hij is wat
laag gesteld, hetgeen zeggen wil dat de afstand van borstbeen tot de
grond iets kleiner is dan de diepte van de borst. Compact, atletisch,
imposant, komt behoorlijk afwerend over.
Belangrijke verhoudingen
De lengte van het lichaam, van de verste voorpunt van de schouder
tot de achterkant van de dij, is groter dan de schofthoogte, in de
verhouding 11:10.
De borstdiepte is meer dan de helft van de schofthoogte.
De maximale snuitlengte is gelijk aan een derde van de lengte van het
hoofd.
De minimale snuitlengte is gelijk aan een kwart van de lengte van het
hoofd.
Bij de reu is de omtrek van het hoofd ongeveer gelijk aan de
schofthoogte.
Gedrag/karakter
Als voormalige vechthond heeft de Bordeaux Dog een gave voor
bewaken. Dat is een taak die hij nauwlettend en met grote moed uitvoert,
maar zonder agressiviteit. Hij is een goede kameraad, zeer gehecht aan
zijn baas en erg aanhankelijk. Rustig, evenwichtig, met een hoge
prikkeldrempel.
Reuen hebben over het algemeen een dominant karakter.
Hoofd
Omvangrijk, met hoeken, groot, tamelijk kort, van boven en van voren
gezien trapeziumvormig. De lengtelijn over de schedel en die over de
snuit raken elkaar in een wijde hoek.
Schedel
Bij de reu is de omtrek van de schedel, op het breedste punt gemeten,
ongeveer gelijk aan de schofthoogte. Bij de teef kan die iets minder
zijn.
Volume en vorm van de schedel worden bepaald door de sterk ontwikkelde
slaapbeenderen, wenkbrauwen, jukbeenderen en ruimte tussen de bogen van
de onderkaak Het schedeldak loopt van de ene naar de andere kant
enigszins bol.
De overgang van voorhoofd naar neus, oftewel de stop, is zeer duidelijk
gemarkeerd en vormt met de neusrug een bijna rechte hoek (ongeveer 95
tot 100 graden).
De diepe voorhoofdsgroef verloopt richting achterhoofd naar minder diep.
Het voorhoofd, dat breder is dan hoog, overheerst het aangezicht.
Het hoofd is terzijde van de middengroef bedekt met symmetrische
rimpels. Deze diepe en zorgelijke rimpels zijn beweeglijk, of de hond nu
oplettend is of niet.
Gezicht
Neus
Groot met goed openstaande neusgaten, pigmentatie in overeenstemming met
het masker. Een lichte mate van wipneus is toegestaan, maar de neus mag
niet terug kantelen richting gezicht.
Snuit
Krachtig, breed, dik maar niet opgevuld onder de ogen, tamelijk kort, in
profil mag de bovenlijn iets hol zijn, met lichtjes aangezette plooien.
Naar het eind van de snuit neemt de breedte nauwelijks af, van bovenaf
gezien ziet de snuit er zo goed als vierkant uit. Een lijn over de snuit
vormt met de lijn over de bovenschedel een naar boven openstaande wijde
hoek.
Als het hoofd horizontaal wordt gehouden steekt het einde van de snuit –
die stomp en dik is en breed aan de basis – iets onder de neus uit.
De omtrek van de snuit is ongeveer twee derde van de omtrek van het
hoofd. De lengte van de snuit is ongeveer een kwart tot een derde van de
hele lengte van het hoofd, gemeten van neuspunt tot jachtknobbel.
Uiterste grenzen (meer dan een derde en minder dan een kwart) zijn
toegestaan, maar liever niet; de ideale snuitlengte ligt ertussen in.
Kaken
Zeer krachtig, groot. De hond is ondervoorbijter, dit is een raskenmerk.
De achterkant van de snijtanden in de onderkaak bevindt zich voor de
voorkant van de snijtanden in de bovenkaak en de snijtanden raken elkaar
niet. De onderkaak kromt zich naar boven. De kin is duidelijk zichtbaar
en mag de bovenlip niet overmatig wegdrukken maar er ook niet door
bedekt worden.
Tanden
Sterk, vooral de hoektanden. De onderste hoektanden staat ver uit elkaar
en hellen enigszins. De snijtanden staan keurig op rij, met name in de
onderkaak waar ze een zo goed als rechte lijn vormen.
Bovenlip
Dik, matig hangend, kan zich samentrekken. Van opzij is de onderlijn
rond. Bedekt aan de zijkanten de onderkaak. Van voren gezien raakt de
rand van bovenlip in het midden aan de onderlip en loopt naar de
zijkanten uit in de vorm van een omgekeerde wijde V.
Wangen
Dankzij een sterke ontwikkeling van de spieren duidelijk aanwezig.
Ogen
Ovaal, staan ver uit elkaar. De afstand tussen de binnenhoeken van de
oogleden is ongeveer gelijk aan twee maal de lengte van het oog
(oogopening). Vrijmoedige uitdrukking. Knipvlies (derde ooglid) mag niet
zichtbaar zijn.
Oogkleur nootbruin tot donkerbruin bij honden met een zwart masker; bij
honden met een bruin masker of zonder masker is een iets lichtere tint
aanvaardbaar, maar liever niet.
Oren
Relatief klein, iets donkerder van tint dan de vacht. Bij de aanzet gaat
de basis van het oor aan de voorkant iets omhoog. De oren moeten
neervallen maar niet slap hangen, als de hond attent is zit de rand aan
de voorkant tegen de wang aan. De onderste punt is iets afgerond en mag
niet voorbij het oog kunnen komen. De oren zijn tamelijk hoog aangezet,
ter hoogte van de bovenlijn van de schedel, waarvan ze de grootte nog
schijnen te beklemtonen.
Nek
Zeer krachtig, gespierd, zo goed als cilindrisch. Ruim, los en soepel
vel. De gemiddelde omtrek is bijna gelijk aan die van het hoofd. De nek
is van het hoofd gescheiden door een licht geaccentueerde en iets
gebogen groef overdwars. Bovenkant van de nek enigszins bol. De
duidelijk aanwezige keelhuid begint bij de keel en vormt plooien tot aan
de borst, maar hangt niet erg los. De nek is aan de basis heel breed en
loopt vloeiend over in de schouders.
Lichaam
Bovenbelijning
Krachtig met een brede en gespierde rug, goed gemarkeerde schoft, brede,
tamelijk korte en stevige lendenen.
Kruis
Loopt lichtjes af tot de staartaanzet.
Borst
Imposant, lang, diep, breed, reikt tot iets onder de ellebogen. Brede en
krachtige borstkas met een onderlijn (tussen de schoft) die bol is ten
opzichte van de bodem. De zijkanten goed diep en gewelfd maar niet
tonvormig. De omtrek van de borstkas is ongeveer 25 tot 35 centimeter
meer dan de schofthoogte.
Onderbelijning
Harplijn, van de behoorlijk diepe borst tot de tamelijk oplopende en
stevige buik, die dus niet hangt, maar ook niet zo hoog is ingetrokken
als bij een windhond.
Staart
Zeer dik bij de aanzet. De punt komt bij voorkeur tot, maar niet verder
dan, het spronggewricht. De staart wordt laag gedragen, is soepel,
zonder knik of knobbel. In rust hangt hij, maar komt de hond in actie
dan verheft hij zich tussen 90 en 120 graden, zonder zich over de rug te
buigen of te krullen.
Voorhand
Stevig bot, zeer gespierde
benen.
Schouders
Krachtig met duidelijk zichtbare spieren. Het schouderblad ligt matig
schuin (ongeveer 45 graden ten opzichte van het horizontale vlak), de
hoek van het boeggewricht (schouderblad-opperarm) is iets groter dan 90
graden.
Opperarm
Zeer gespierd.
Ellebogen
In de as van het lichaam, niet te dicht tegen de borstkas aan en ook
niet teveel uitdraaiend.
Onderarm
Van voren gezien: recht of iets naar binnen wijzend, dus dichter naar de
middellijn, in het bijzonder bij honden met een zeer brede borst. Van
opzij gezien: verticaal.
Middenvoet
Krachtig. Van opzij gezien licht hellend. Van voren gezien soms iets
uitdraaiend om een licht naar binnen neigende onderarm te compenseren.
Voeten
Stevig, tenen dicht tegen elkaar aan, kromme, stevige nagels, goed
ontwikkelde en soepele voetkussens. Ondanks zijn gewicht staat de hond
goed op zijn tenen.
Achterhand
Stevige benen met krachtig bot, goed gehoekt. Van achteren gezien
geven de achterbenen, die goed parallel en verticaal staan, een indruk
van kracht, ook al is de achterhand iets minder breed dan de voorhand.
Dij
Goed ontwikkeld en flink, met duidelijk zichtbare bespiering.
Knie
Ligt in een vlak parallel aan de mediaan of iets daarbuiten.
Onderbeen
Tamelijk kort, bespierd, loopt laag door.
Hak
Kort, pezig, vrij wijde hoek.
Middenvoet
Stevig. Geen hubertusklauwen.
Voeten
Iets langer dan de voorvoeten, tenen dicht tegen elkaar aan.
Gangwerk
Voor een molosser redelijk
soepel. In stap is het gangwerk vrij, soepel, dicht bij de grond. Goede
stuwing vanuit de achterhand, goed uitreikende voorhand, speciaal in
draf, wat dat is de gang die de voorkeur heeft. Als de draf versnelt
heeft het hoofd de neiging om te zakken, de bovenbelijning om naar voren
te hellen en de voorvoeten om zich meer naar het midden plaatsen,
terwijl ze ver naar voren neerkomen. Bij korte galop tamelijk veel
verticale beweging.
Kan op korte afstanden, waarbij hij er tamelijk laag bij de grond van
door gaat, een flinke snelheid bereiken.
Huid
Dik en voldoende los.
Vacht
Beharing
Fijn, kort en voelt zacht aan.
Kleur
Eenkleurig in het hele gamma van roodtinten, van mahonie tot isabella.(lichtbeige).
Een goede pigmentatie is gewenst. Enkele kleine witte plekjes op borst
en onderaan de benen zijn toegestaan.
Masker
1) Zwart masker Het masker is vaak maar beperkt van omvang, en mag
niet doorlopen tot op de schedel. Wel mogen er donkerder schakeringen
voorkomen op de schedel, de oren, de hals en de bovenkant van het
lichaam. Bij dit masker moet de neus zwart zijn.
2) Bruin (vroeger genaamd rood of roetbruin) masker De neus is ook
bruin, evenals de rand van de oogleden 3) Geen masker De vacht is in een
roodtint, de huid lijkt rood (vroeger heette dit ‘rood masker’). De neus
is roodachtig of rose.
Maat
De hoogte
moet min of meer overeenstemmen met de omvang van de schedel.
Reu 60 tot 68 centimeter schofthoogte.
Teef 58 tot 66 centimeter schofthoogte.
Een centimeter minder en twee centimeter meer zijn toegestaan.
Gewicht
Reu tenminste 50 kilogram.
Teef tenminste 45 kilogram
Fouten
Iedere
afwijking van het voorgaande moet worden beschouwd als een fout, die
moet worden aangerekend in verhouding tot de ernst ervan.
Ernstige fouten
- Overmatig agressief, angstig.
- Kort en rond hoofd met uitpuilende ogen.
- Overgetypeerd als een Bulldog (platte schedel, snuit korter dan een
kwart van de totale hoofdlengte).
- Onderkaak aanzienlijk scheef.
- Snijtanden permanent zichtbaar bij gesloten mond.
- Ronde rug (karperrug). - Vastzittende (niet scheve) staartwervels.
- Naar binnen draaiende voorvoeten (ook als dat maar een beetje is).
- Naar buiten draaiende voorvoeten.
- Platte dijen.
- Hoeking van de hak te groot (steile hoeking).
- Hoeking van de hak te klein, ondergeschoven stand van de achterhand.
- Hakken die naar binnen draaien (koehakkig) of naar buiten.
- Steltgang of overdreven rollende gang in achterhand.
- Ademnood, luidruchtige ademhaling.
- Witte staartpunt of wit aan de voorkant van de benen, boven handwortel
en voetwortel.
Diskwalificerende fouten
- Lang en recht hoofd met weinig opvallende stop, met een neusrug
meer dan een derde van de lengte van het hoofd (gebrek aan
hoofdtype).
- Neusrug evenwijdig aan de bovenlijn van de schedel of aflopend (‘Roman
nose’).
- Verdraaide kaak.
- Niet ondervoorbijtend.
- Hoektanden permanent zichtbaar bij gesloten mond.
- Permanent uit de gesloten mond hangende tong.
- Staart met een knik, hoek of bocht erin (kurkentrekker staart).
- Geatrofieerde staart.
- Gedraaid (Louis seize) front met zeer slappe middenvoet.
- Hoeking van de hak open naar achteren (double hock).
- Wit op hoofd en lichaam, een andere vachtkleur dan rood.
- Zichtbaar invalide makend defect.
Reuen moeten in het bezit zijn van twee kennelijk normale testikels, die
volledig zijn afgedaald in het scrotum.
Vertaling vanuit het Frans: Janneke Leunissen-Rooseboom
|
|